Eindelijk!

19 juni 2008 - Bangkok, Thailand

Ja, ik weet het, ik ben hopeloos... maar hier is dan eindelijk een complete update, alleen moet ik alles wel echt samenvatten... Daar gaan we dan:

In Siem Reap en de omgeving heb ik in 6 dagen tijd iets van 25 tempels gezien... en dat zijn ze niet eens allemaal. Sommige tempels zijn ontzettend mooi gerestaureerd, zoals de beroemde Angkor Wat, andere zijn bewaard in de staat waarin ze gevonden zijn: half ingestort en overgroeid door de jungle. Een bekend voorbeeld van de laatste soort is Ta Prom, de tempel waarin de film Tomb Raider is opgenomen. Alhoewel Angkor Wat heel indrukwekkend was, is een andere tempel mijn favoriet: Beng Melea, twee uur rijden vanaf Angkor en prachtig overgroeid door de jungle. Toen ik daar rondklauterde voelde ik me net Indiana Jones, om je een idee te geven.

Na Siem Reap ben ik weer naar Phnom Penh gegaan, en meteen doorgereisd naar Kampot, een rustig stadje aan de rivier, dicht bij de kust. Daar heb ik een paar dagen genikst, er hing een hele fijne sfeer daar. Er wonen ook verbazend veel buitenlanders (zgn. expats, of in dit geval: potpats) waarschijnlijk vanwege dat relaxte sfeertje. Vanuit Kampot ben ik naar Sihanoukville gegaan, Cambodja's enige echte strandplaats. Je kunt er feesten tot zonsopgang, en veel mensen vinden het geweldig, maar ik vond er niet zo veel aan. Ik ben er wel gaan snorkelen, weer mee op een duikersboot, en dat was heel mooi. Ik heb zelfs een mini-haai gezien!

Na opnieuw een tussenstop in Phnom Penh, ben ik richting het noorden gereisd, naar Kratie. Deze stad aan de Mekong-rivier is een toeristentrekker vanwege de Irrawaddy zoetwaterdolfijn. Deze bruine, bolgesnuite dolfijnen leven in een stuk van de Mekong ten noorden van Kratie. Ze zijn een beetje verlegen en als je rondvaart over de rivier zie je dan ook alleen maar als ze even boven komen om adem te halen. Toch was het bijzonder om te zien, ook omdat het een bedreigde diersoort is.

Vanaf Kratie ben ik doorgereisd naar Ban Lung, in de provincie Rattanakiri. Daar heb ik in het gezelschap van een Nederlander, Rene, en een Indier, Ganesh, een trektocht van 3 dagen gedaan, naar het Virachay National Park. Het was een combinatie van 2 uur achterop de brommer, en 3 uur in een bootje om het park te bereiken, de volgende dag 6 uur trekken in het bos (onder andere over het beroemde Ho Chi Minh Trail), en wildkamperen (slapen in een hangmat onder een zeiltje! Gelukkig regende het maar kort die nacht, de nacht ervoor kwam het met bakken uit de hemel...). De derde dag was het weer 1,5 uur lopen, 3 uur in de boot en 2 uur achterop de brommer. Vermoeiend, geplaagd door bloedzuigers, maar wel heel mooi!

Inmiddels was het tijd om Cambodja te verlaten, want mijn visum liep af. En het volgende land op mijn lijstje was:

 LAOS

Mijn eerste stop in Laos was Don Det, een van de eilanden in de Mekong in een gebied dat Si Pan Don heet, oftewel '4000 eilanden'. Don Det is een klein eilandje met heel veel backpackers en bungalows, en een erg relaxte sfeer. Daar ontmoette ik ook weer twee Zweden met wie ik bevriend was geraakt in de trein, en mee gereisd had in Mongolie en Peking. Het is heel raar, als je een week met wat mensen samen reist, voelt het al snel alsof je elkaar al jaren kent. Dit weerzien was dan ook erg leuk, maar helaas gingen zij een andere kant op dan ik, en moesten we na een paar dagen weer afscheid van elkaar nemen.

Na een hele comfortabele (niet dus) busreis kwam ik aan in Pakse. Vanaf daar heb ik in een rondje over het Bolaven Plateau gereisd. Eerst ging ik 2 uur met de bus naar Tad Lo, een mooi, klein plaatsje. Daar ontmoette ik een aardige Franse kerel die hetzelfde plan had als ik, maar dan op een scooter. Dus bood hij aan dat ik achterop mocht, en dat heeft me waarschijnlijk een hoop gedoe en geld bespaard. Het is een heel mooi gebied met een paar watervallen die je kunt bezoeken, waaronder een van 120 meter hoog! Het was daar een stuk koeler dan de rest van Zuid-Laos (omdat het een plateau is), en dat was een aangename afwisseling. Ik moest sokken aan doen, stel je voor!

Mijn volgende bestemming was Tha Khek. Vanuit Tha Khek ben ik de Kong Lor grot gaan bezoeken, een hele lange, grote grot (7 km lang) waar een rivier doorheen stroomt (temidden van een overigens heel mooi landschap). Je werd in een klein motorbootje door de grot gevaren, in het pikkedonker met als enige verlichting de hoofdlampen van de bootmannetjes en je eigen zaklampje. We moesten een paar keer de boot uit omdat het water te ondiep was, en 1 keer werden we te voet naar een zijarm van de grot geleid, waar heel veel stalactieten en stalacmieten waren... Het was echt een ongelofelijke ervaring, bijna magisch.

Na een homestay in de buurt van de grot moest ik terug naar Tha Khek om mijn backpack op te halen, en vervolgens ging ik met de bus naar Vientiane, de hoofdstad van Laos. Het is dan wel de hoofdstad, maar daar is niet veel van te merken. Het is een mooie stad, maar niet heel groot, en er is maar weinig te doen. Ik ontmoette er Julia (ook in haar gap year) en Ruud uit Nederland.

Julia en ik besloten samen verder te gaan naar Vang Vieng. Vang Vieng is een klein plaatsje dat is uitgegroeid tot backpacker-hotspot, mede dankzij de prachtige ligging (midden tussen de karstbergen) maar vooral vanwege het zogenaamde Tubing: Je wordt in een Tuktuk stroomopwaarts naar de rivier gebracht en drijft vervolgens in een band (de 'inner tube' van een traktor) terug naar Vang Vieng. Dat zou normaal 2 uur duren, maar omdat de slimme Laotianen een hoop bars langs de rivier hebben gebouwd duurt het meestal een hele dag. Onderweg kun je je dus klemzuipen als je dat wil, of het water inplonsen vanaf giga trapezen en kabelbanen. Eigenlijk een ontzettend gevaarlijke combinatie, drank en een rivier, maar gelukkig overleven de meesten het en hebben vooral heel veel plezier. Ik was aanvankelijk sceptisch ('het zal wel niks voor mij zijn, dat tuben' ), maar we zijn uiteindelijk 3 dagen achter elkaar alleen maar gaan tuben. Dat was te danken aan de leuke groep mensen die Julia en ik ontmoetten: een Schots koppel (Anna en Jamie), Ian en Helen uit Engeland, Nick uit Australie, en ook Ruud voegde zich weer bij ons. Als je overigens geen zin hebt om te tuben, kun je in Vang Vieng ook de hele dag Friends of Family Guy kijken. De meeste restaurants laten namelijk herhalingen zien van 1 van deze series. Ohja, en je kunt ook rotsklimmen en grotten bezoeken, maar welke gek doet dat nou in die hitte... ;)
 
Na 3 dagen vonden we dat we toch echt eens verder moesten, en het bleek dat de meesten dezelfde kant op reisden, dus troffen we elkaar weer in Luang Prabang. Luang Prabang is een prachtig stadje, helaas wel vol met toeristen. Een van de dagen zijn we naar een hele mooie waterval gegaan, eentje met verschillende 'trappen' en turkooizen poeltjes ertussen in. Die avond besloten de anderen dat we mijn verjaardag moesten vieren, omdat de groep de volgende dag gedeeltelijk uit elkaar zou gaan. Ze kochten kadootjes en taart voor me, en daarna zijn we gaan bowlen (het enige dat je kunt doen na 12.00 snachts, vanwege de avondklok). Al met al een geweldige dag, een absoluut hoogtepunt van mijn reis.
 
Na Luang Prabang ging iedereen een andere kant op, behalve Ruud, die naar dezelfde plek bleek te gaan als ik: Nong Khiaw. Vanaf daar kun je de boot stroomopwaarts nemen naar een klein dorpje, Muang Ngoi Nuea. Dit dorpje is populair onder toeristen maar alleen te bereiken per boot, en daarom nog niet uitgegroeid tot Don Det of Vang Vieng. Het ligt aan de rivier midden tussen de bergen, en overal lopen kippen, eenden en honden. Heerlijk rustig, en ik heb twee dagen lang (waaronder mijn 'echte' verjaardag) dan ook niks anders gedaan dan liggen in mijn hangmat en lezen. Ruud en een Duits meisje hadden wel taart voor me geregeld, erg lief.
 
Daarna besloten Ruud en ik verder stroomopwaarts te gaan met de boot naar Muang Khua, een heel erg mooie tocht. Vervolgens bleek dat we nog verder stroomopwaarts konden reizen, naar Hat Sa, en vandaar naar Pongsali. Die tocht zou normaal iets van 8 uur duren maar wij deden er, samen met Barney, een Australische barman, 32 uur over. Eerst moesten we 6 uur wachten tot de boot vertrok, en toen bleek dat we het niet voor het donker zouden halen dus moesten we overnachten in een dorpje in the middle of nowhere, wonderbaarlijk genoeg wel met Guesthouse. We mochten het feestmaal delen van een paar Lao jongens die voor een NGO (Non-Governmental Organisation) werkten en die dag een nieuw kantoor hadden gekregen en daarom iets te vieren hadden. Daar hadden we geluk mee, want we konden nergens anders in het dorp iets te eten vinden.
 
De volgende dag gingen we verder met de boot, 4 uur in de regen en niet erg comfortabel (de boot had wel een dak gelukkig). In Hat Sa moesten we de bus naar Pongsali nemen, normaal 1 uur maar vanwege een eerder gebeurd ongeluk moesten we 3 uur wachten, aangezien de bus er niet langskon en de betrokken auto's niet verplaatst mochten worden voordat de politie er was (en de politie laat wat langer op zich wachten in Laos natuurlijk). Maargoed we hebben het gehaald, en al met al was het toch wel een hele mooie en bijzondere ervaring.

Pongsali was een van mijn favoriete plaatsen in Laos. Een klein stadje omringd door bergen, met kleine kronkelende steegjes, en amper iets te merken van toerisme (in de tijd dat ik daar was heb ik maar iets van 4 andere westerlingen gezien). In de buurt van de stad kon je een bergtop beklimmen, waarvanaf je een prachtig uitzicht had. Ruud en ik wilden graag een trek doen, Barney haakte af omdat hij zijn eigen fysieke zwakheden kende... achteraf heel verstandig, want onze 1-daagse trektocht was ontzettend mooi, maar wel zwaar:
We liepen eerst 3 uur door het bos, en over talloze riviertjes naar een Akha-dorp (etnische minderheid) waar we lunchten. Door de afgelegen ligging van het dorp hebben de mensen daar nog amper contact gehad met buitenlanders en we waren dan ook heel interessant en werden gevolgd en aangestaard door een hele groep kinderen. Na de lunch was het plan om via een andere route 2,5 uur terug naar de weg te lopen. We kwamen er echter achter dat het pad een maand lang niet gebruikt was, en een kwart van het traject was inmiddels 1 grote modderpoel. En dat overdrijf ik niet, regelmatig zakte je 20 cm diep de modder in. Vervolgens was ook nog eens de helft van het traject overgroeid met bamboe en andere stugge gewassen. En natuurlijk waren er weer bloedzuigers in overvloed. Uiteindelijk hebben we dus 3,5 a 4 uur gedaan over de terugweg. Ik kon dankzij de mooie uitzichten redelijk positief blijven, en regelmatig moest ik Ruud opmonteren. De arme ziel had nog nooit een bloedzuiger gezien (ook al is 'ie 29 en o.a. al in Zuid-Amerika geweest) en schrok zich dan ook rot toen hij zo'n jongen op zijn been vond, al helemaal volgezogen...
Maargoed we bereikten de beschaafde wereld weer, en eenmaal terug in het hotel is een warme douche dan een echte beloning.

Na een dagje bijkomen in Pongsali ging ik naar Udomxai, vanwaar ik de volgende dag de bus nam naar Luang Nam Tha (inmiddels zonder Ruud, die naar China ging). Daar ontmoette ik een andere groep mensen, waarmee ik een dagje ben gaan brommerrijden in de (hele mooie) omgeving. Ik zag af van nog een trektocht, na de lichtelijk traumatische ervaring in Pongsali. Bovendien waren mijn wandelschoenen nog kletsnat.

Inmiddels moest ik op weg naar de Thaise grens, alhoewel ik na 5 weken in Laos nog steeds geen genoeg had van het land... De bevolking is heel vriendelijk en vooral relaxt, het leeftempo ligt er echt een stuk lager dan in de omringende landen (laat staan het westen). Laos is echter ook nog steeds redelijk arm en onontwikkeld, vooral de bevolking op het platteland heeft het zwaar. Het massatoerisme moet Laos nog ontdekken, al zijn Luang Prabang, Vang Vieng en Vientiane redelijk populair. In Thailand is het juist omgekeerd: het land is het welvarendste van Zuid-Oost Azie, en het toerisme is zo massa als het maar kan.

THAILAND

Het was dan ook best wel een schok toen ik net de grens over was: overal pinautomaten (in Laos zijn die alleen in de grootste steden), bankbiljetten ter waarde van 50 euro (in Laos is het grootste biljet 4 euro waard), 7-elevens op iedere straathoek, heeel veel verkeer, stoplichten, grote reclameborden...

Gelukkig was mijn eerste stop niet zo'n hele grote stad: Chiang Rai. Er was een leuke avondmarkt, met heerlijk eten, maar verder niet zo veel te beleven. Een goede stad om te wennen aan Thailand. Na Chiang Rai ben ik naar Chiang Mai gegaan, dat wel een grote stad is. Het oude centrum is echter redelijk rustig, omdat het maar smalle wegen heeft. Ik kwam er aan op een zondag, en dus was er de Sunday Walking Street: een hele lange straat die voor verkeer wordt afgesloten en volgezet met allerlei kraampjes, van noodles tot beeldjes en van fruitshakes tot T-shirts. Fijne sfeer.

Na uiteraard de stad nog wat bezichtigd te hebben reisde ik verder naar Sukhothai, waar de ruines van een oude Thaise hoofdstad te zien zijn. Het klonk veelbelovend, en opgetogen ging ik op pad op mijn gehuurde fietsje, maar al snel zat ik te vloeken vanwege de hitte, en de tempels waren niet echt indrukwekkend genoeg om het goed te maken. Ze waren wel mooi natuurlijk, maar na Angkor is het misschien moeilijk om nog indruk op mij te maken...

Ik besloot dezelfde avond nog de nachtbus te nemen, en om 4.00 uur vanochtend kwam ik aan in... Bangkok! Niet de beste tijd om aan te komen, en nu zit ik dus te internetten, bezweet en moe, wachtend tot de guesthouses open gaan :)

Nu ik mijn blog dus helemaal geupdate heb, kan ik jullie ook wel de rest van mijn plannen vertellen: Ik blijf een paar dagen in Bangkok, om te shoppen en te feesten, en dan ga ik nog een weekje naar het zuiden om te relaxen en bruin te worden op een tropisch eiland. En dan... kom ik naar huis! Ik vlieg terug op 3 juli, over precies 2 weken dus :D

Heel veel liefs, Lieke

Foto’s